U bevindt zich op: Home nl Toelichtingen planten Inoculatie op ML-I

Voorwaarden voor inoculatie op ML-I

Onder inoculatie op ML-I kunnen de volgende handelingen vallen:

  • co-cultivatie met het doel transgene planten te genereren (inschaling via 5.4.4.e; geen aanvullende voorschriften nodig);
  • dipinoculatie met het doel transgene planten te genereren;
  • inoculatie met bijvoorbeeld injectienaald of tandenstoker met het doel transiënte expressie.

Voor het inoculeren van planten met gg-micro-organismen gelden aanvullende voorschriften:

 

Bijlage 5, deel II

Bijlage 9

ML-I

5.9.1.b

9.1.1.1.3.2

Men dient zelf een keuze te maken welke aanvullende voorschriften nodig zijn met betrekking tot de wijze van inoculeren. Voor een dipinoculatie bijvoorbeeld gelden alle aanvullende voorschriften. Indien aërosolvorming niet voorkomen kan worden, dan dient de dipinoculatie in een VK-II uitgevoerd te worden.

Indien inoculatie plaatsvindt met sporulerende schimmels van bijlage 2, lijst A1 geldt:

 

Bijlage 5, deel II

Bijlage 9

ML-I

5.9.2.a

9.1.1.1.3.5

Voor inoculatie in een ML-I laboratorium mogen alleen micro-organismen van bijlage 2, lijst A1 gebruikt worden. Verder geldt dat aërosolvormende handelingen niet zijn toegestaan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan sproei-inoculaties of het vernevelen met micro-organismen.

LET OP: Voor inoculatie van planten in watercultures dient een 2.8 verzoek gedaan te worden.

Zoeken:

Service