U bevindt zich op: Home nl Toelichtingen Endogeen virus onder 5.4.1

Een endogeen virus dat mogelijk aanwezig kan zijn in de gastheercel of -cellijn onder 5.4.1

Bij handelingen met animale en humane cellen en cellijnen in associatie met plasmide vectoren of een virale transfervector dient, naast met de vector en de donorsequentie, rekening te worden gehouden met (de mogelijke) aanwezigheid van (wildtype) virussen en virale sequenties die bij de vervaardiging van de cellijn zijn toegepast of die als besmetting in de cellen aanwezig kunnen zijn. Er dient in de risicoanalyse rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van recombinatie en/of complementatie met deze wildtype virussen en/of virale sequenties, waardoor er een recombinant virus kan ontstaan. Op grond van artikel 5.4.1.g leidt dit tot een hogere inschaling en kunnen, afhankelijk van de eigenschappen van het virus, additionele voorschriften op het hogere inperkingsniveau van toepassing zijn.

Voorbeelden: (zie ook CGM/131002-01):

  • Geïmmortaliseerde cellijnen die het Epstein-Barr Virus (EBV) of Simian virus 40 (SV40) bevatten. Bij transfectie van dergelijke cellen (bv. RAJI en COS-7) met plasmiden die respectievelijk een EBV-ori of een SV40-ori bevatten leidt dit tot een ML-II-k inschaling.
  • Cellen kunnen ook geïmmortaliseerd zijn met delen van virussen, zoals het SV40 large T antigen, de adenovirus E1A sequentie of de Humaan papillomavirus (HPV) Type 16 E6/E7 sequentie, waarvan de aanwezigheid op zich niet tot de vorming van (recombinant) virus kan leiden. Bij transfectie van dergelijke cellen met plasmiden die HPV, SV40 of adenovirale sequenties bevatten leidt dit tot een ML-II-k inschaling, indien door de combinatie van de in de cel en het plasmide aanwezige sequenties een recombinant virus kan ontstaan.
  • Humane primaire cellen, kunnen wildtype HIV, HTLV of verwante retrovirussen bevatten. Bij transfectie van bijvoorbeeld HIV positieve cellen (of humane primaire cellen waarvan de HIV status onbekend is) met lentivirale transfervectoren leidt dit tot een ML-III inschaling.

NB: Indien in de cellijn of in het plasmide een sequentie aanwezig is die codeert voor een schadelijk genproduct kan, indien deze sequentie kan worden ingebouwd in het recombinante virus, een nog hogere inschaling dan in bovenstaande voorbeelden van toepassing zijn.

Om aanwezigheid van wildtype virussen uit te sluiten kunnen cellen die potentieel met wildtype virus geïnfecteerd zijn, voorafgaand aan de werkzaamheden op de aanwezigheid hiervan worden gecontroleerd. Indien afdoende kan worden aangetoond dat de potentieel geïnfecteerde cellen die worden gehanteerd geen relevante endogene virussen bevatten, kan de aanvrager artikel 5.4.1.h of 5.4.1.i in plaats van 5.4.1.g hanteren.

Zoeken:

Service